|
|
1.
Kijkgedrag, gebruik je ogen, het kost niets
top |
|
|
Een groot deel van
de examenkandidaten zakt op kijkgedrag. Hierbij wordt
onderscheid gemaakt tussen breed en ver vooruit waarnemen,
op de juiste manier de spiegels gebruiken en kijkgedrag in
specifieke situaties. Kijkgedrag is essentieel op het
rijexamen
Dit gaat vaak fout:
-
Overdreven
kijken om goed aan de examinator te laten zien dat je
kijkt.
-
Te nonchalant
kijkgedrag.
-
Te gehaast
door de spiegels vliegen en weinig echt waarnemen.
-
Te kort voor
de auto kijken en daardoor laat reageren op situaties.
Zo moet het wel:
-
Blijf
voortdurend je blik veranderen zodat je een
totaaloverzicht houdt.
-
Neem de tijd
om goed in je spiegels te kijken en herhaal het kijken.
-
Controleer
voordat je een bepaalde manoeuvre gaat doen.
-
Overdrijf
niet, als je goed waarneemt dan ziet de examinator dat
ook wel.
|
|
|
2. Plaats op de
weg, durf de ruimte die je hebt te gebruiken
top |
|
|
Een paar
belangrijke misverstanden moeten uit de weg. De plaats op de
weg hangt van meerdere factoren af. De regels die je uit het
theorieboek hebt geleerd zijn een leidraad maar niet altijd
heilig. Alle omstandigheden samen bepalen je keuze.
Dit gaat vaak fout:
-
Te dicht langs
geparkeerde auto's, obstakels of fietsers rijden.
-
Niet of
onvoldoende voorsorteren.
-
Te ruime of te
krappe bochten (soms door nonchalant sturen).
-
Te veel links
blijven rijden bij tegenliggers op smalle wegen.
Zo moet het wel:
-
Neem voldoende
ruimte bij het passeren van stilstaande objecten en
bewegende verkeersdeelnemers. Ook als dat betekent dat
je daarvoor (deels) op de andere weghelft moet komen.
Zolang je je tegenliggers maar niet hindert. Probeer
niet koste wat kost binnen de lijnen te blijven als dat
de veiligheid in gevaar brengt. Het is maar verf waar je
overheen gaat.
-
Sorteer waar
mogelijk duidelijk voor.
-
Probeer
bochten netjes op je eigen weghelft te nemen.
-
bij
tegenliggers op smalle wegen is behalve je positie ook
de snelheid erg belangrijk. Ga zonodig bij het
tegenkomen van ander verkeer wat langzamer rijden als
het erg smal is.
|
|
|
3. Snelheid,
altijd aangepast aan de omstandigheden
top |
|
|
Dit is de
hoofdregel: in principe rijdt je de maximaal toegestane
snelheid zolang dat ook veilig kan. Dat betekent vlot
met het verkeer meerijden, maar snelheid omlaag zodra de
situatie erom vraagt. Veel kandidaten hebben moeite met het
toepassen hiervan.
Dit gaat vaak fout:
-
Langzamer
rijden dan nodig is, je houdt het verkeer ermee op en de
examinator oordeelt dat je onzeker bent. Maar rij nooit
harder dan vanwege de omstandigheden veilig en
verantwoord is.
-
Te hard door
bochten.
-
Te snel
kruisingen naderen / oversteken.
-
Fabeltje:
altijd 5 km/u harder rijden.
Zo moet het wel:
-
Rij vlot met
het verkeer mee en pas je snelheid op tijd aan de
omstandigheden aan. De veiligheid heeft eigenlijk altijd
voorrang. Zo kan het voorkomen dat je bijvoorbeeld een
inhaalmanoeuvre het veiligst uitvoert als je even iets
harder dan toegestaan rijdt.
-
Kijk ook door
de bocht en pas op tijd je snelheid aan.
-
Dit moet je
met je instructeur bespreken, we kunnen wel zeggen dat
je met de juiste snelheid moet naderen, maar dat is een
kwestie van trainen.
-
Onzin, hou je
liever aan bovenstaande.
|
|
|
4. Inhalen, of
eigenlijk het achterwege blijven ervan
top |
|
|
Wat betreft het
inhalen lijkt het nut nog lang niet tot alle
examenkandidaten doorgedrongen te zijn. Toch wordt het een
noodzakelijk gebeuren als je je aan de hoodregel van
snelheid (zie hierboven) wilt houden. Immers, vlot
meestromen met het verkeer en zoveel mogelijk de maximale
snelheid rijden met in achtneming van de veiligheid.
Dit gaat vaak fout:
-
Met
onvoldoende afstand inhalen (zie ook plaats op de weg).
-
Met
onvoldoende snelheid inhalen.
-
Uit
voorzichtigheid rechts blijven rijden terwijl het
verkeer links veel vlotter rijdt (stel dat ik op de
linkerstrook rij en de examinator wil opeens ergens
rechtsaf).
-
Te laat
voorbereiden.
Zo
moet het wel:
-
Hou voldoende
afstand bij het inhalen.
-
Een
inhaalmanoeuvre moet vlot uitgevoerd worden. Durf dus
snelheid te maken om dit na te leven. Ook als dat
betekent dat je tijdelijk iets harder rijdt dan de
limiet.
-
Durf keuzes te
maken die de vlotheid ten goede komen. Rij je achter een
vrachtwagen, gebruik dan de ruimtes (met name op wegen
met meer rijstroken) om er voorbij te gaan. De
examinator houdt rekening met zijn opdrachtgeving, echt!
-
Kijk ver
vooruit en begin op tijd met waarnemen.
|
|
|
5. Bijzondere
verrichtingen, maar zo bijzonder nou ook weer niet
top |
|
|
Elke rit kent ze,
ook als je boodschappen gaat doen. Je moet altijd wel een
keer parkeren voor je boodschappen gaat doen. Maak het
moeilijker dan nodig is en laat je gevoel ook een beetje
meespelen.
Dit gaat vaak fout:
Zo moet het wel:
-
Blijf altijd
het verkeer in de gaten houden, niet alleen vooraf even
kijken. Kijkgedrag is hier essentieel.
-
Veel
oefeningen worden geleerd aan de hand van trucjes. Leer
niet alleen op trucjes parkeren of keren, maar hou ook
het geheel in de gaten. Dan kun je vaak ook
gemakkelijker correcties aanbrengen, waardoor de
oefening toch goed gaat.
-
Bij de meeste
oefeningen is stapvoets al vlot genoeg.
|
|
|
6. De taal van
de weg, begrijp jij ook, als je er open voor staat
top |
|
|
Het is belangrijk
om tijdens het rijden behalve de borden en verkeerslichten
ook pijlen en strepen op de weg en andere markeringen in de
gaten te houden. Ze vertellen je heel veel over de situatie
op dat moment of die komen gaat.
Dit gaat vaak fout:
-
Verkeerd
voorsorteren bij meerdere rijstroken.
-
per ongeluk
rijstrook wisselen in bochten.
-
Verkeerd
inschatten van bochten.
Zo moet het wel:
-
Kijk ook naar
de rijstroken om je heen, vraag je af waar de auto naast
je heen gaat / mag. Dat bepaalt voor jou vaak ook mede
je koers. Let er bij het afslaan bijvoorbeeld op hoeveel
rijstroken nog meer jouw kant op gaan. Bepaal daarmee
ook je keuze van rijstrook.
-
Dit sluit aan
bij het voorgaande. Bij meerder rijstroken moet je
altijd proberen om vlak voor, tijdens en na de bocht in
de zelfde rijstrook te rijden. Ben je voor de bocht op
de meest linker rijstrook gaan staan, dan is dat niet
erg, maar volg de bocht dan ook op die rijstrook.
-
Niet alleen
adviessnelheidsborden geven aan hoe hard je in bochten
kunt rijden. Let ook op andere zaken als bochtschilden,
remsporen en kijk eens wat verder door de bocht heen,
want daar ga je naar toe.
|
|
|
7. in- en
uitvoegen, kwestie van mikken?
top |
|
|
Hoort ook in een
examen thuis en is voor velen toch één van de lastiger
dingen van het autorijden. Ook mensen die al jaren hun
rijbewijs hebben vinden het soms nog lastig.
Dit gaat vaak fout:
Zo moet het wel:
-
Je kunt niet
met een getal aangeven hoe hard je moet rijden als je
gaat invoegen. Immers je moet je snelheid eerst en
vooral aanpassen aan de omstandigheden. Zorg dat je dus
op tijd weet hoe de situatie is, rijdt het verkeer door
of staat er file, is het druk of niet.
-
Invoegen lukt
alleen goed als je doorlopend observeert. Dat begint al
bij het naderen van de invoegstrook, dus zodra je zicht
hebt op de doorgaande rijbaan. Dan al vorm je een beeld
van het verkeer op die weg. Blijf waarnemen in je
spiegels en bepaal waar ruimte is om in te voegen.
-
Zorg dat je
goed de bocht doorkijkt en pas op maar geleidelijk je
snelheid aan.
|
|
|
8. Rijstrook
wisselen, soms moet je keuzes maken
top |
|
|
Met name in druk
verkeer best lastig, maar er zijn manieren.
Dit gaat vaak fout:
-
niet goed of
onvoldoende kijkgedrag. Klassiek is het voorbeeld waar 2
auto's tegelijk naar de zelfde rijstrook willen. Alleen
door goed blijven kijken kan dan een aanrijding
worden voorkomen.
-
onvoldoende
ruimte benutten.
-
onjuiste
snelheid.
-
onvoldoende
communiceren met medeweggebruikers.
Zo moet het wel:
-
Bepaal rustig
waar en wanneer je het beste kunt wisselen van
rijstrook. Controleer ook vooral tijdens het wisselen
van rijstrook wat het verkeer om je heen doet
-
Probeer de
ruimte op te zoeken en wacht niet te lang met je
manoeuvre.
-
Alleen als je
je snelheid goed aanpast aan het verkeer naast je kun je
makkelijk invoegen.
-
Als het erg
druk is, dan mag je met gebruik van je
richtingaanwijzers laten zien wat je bedoelingen zijn.
Wel altijd afwachten hoe het verkeer erop reageert, dus
niet: "richting aan en gaan".
|
|
|
9. Besluitvaardigheid, zeker zijn van je zaak
top |
|
|
Besluitvaardig
word je niet met een paar tips, maar we vonden wel dat we
het in dit rijtje moesten noemen. Feit is dat een bepaalde
mate van besluitvaardigheid essentieel is om te kunnen
slagen.
Hier dus geen tips, maar wel feiten. Besluitvaardigheid
bereik je alleen door:
-
Voldoende
beheersing over de auto te hebben. Je moet vertrouwen in
jezelf hebben dat je de auto onder alle omstandigheden
de baas bent. Zo moet je bijvoorbeeld vlot kunnen
wegrijden en een kruising oversteken zonder (angst voor) afslaan van de motor.
-
Goed leren
inschatten wat betreft afstanden en snelheden van ander
verkeer. Alleen dan kun je juiste beslissingen nemen.
-
Voldoende tijd
nemen voor het waarnemen alvorens te beslissen.
-
Dus voldoende
lessen nemen om bovenstaande in de praktijk te oefenen.
|
|
|
10.
Verkeersinzicht,
de enige die niet op het uitslagformulier staat
top |
|
|
En toch is
verkeersinzicht één van de belangrijkste eisen om goed door
het verkeer te komen. Ook hier geldt dat je geen
verkeersinzicht opbouwt met een paar tips van internet.
Verkeersinzicht is
begrijpen wat je situatie is, wat het gaat worden, wat
anderen willen gaan doen (vrachtwagen die moet lossen bijv.)
en begrijpen wat het gedrag van een ander voor gevolgen
heeft voor jou.
Verkeersinzicht
betekent eigenlijk voorspellen. Het voorspellen van de
situatie die gaat komen en daar op inspelen.
Verkeersinzicht
héb je voor een deel zonder dat je ooit een meter hebt
gereden. De één meer dan de ander. Maar de rest leer je ook
alleen maar met oefenen. Dus neem voldoende rijlessen. |